Jaar: 2020

sde++ subsidieregeling minister wiebes presenteert nieuwe sde++ voorstellen

Laatste nieuws SDE++ subsidie

Laatste nieuws subsidieregeling SDE++

Minister Wiebes van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft op 17 februari 2020 de Tweede Kamer geïnformeerd over aanpassingen van de SDE++ subsidieregeling en de openstelling van deze regeling. De voorgestelde aanpassingen kunnen uw business of project enorm beïnvloeden. Lees in dit artikel wat de nieuwe voorstellen zijn.   

sde++ subsidieregeling minister wiebes presenteert nieuwe sde++ voorstellen

De voornaamste uitgangspunten van de SDE+ regeling blijven onveranderd in de SDE++ regeling. Dit zijn de subsidiëring van de zogeheten onrendabele top, gefaseerde openstelling (zodat de goedkoopste technieken bij een gelimiteerde subsidiepot meer kans maken) en concurrentie tussen verschillende technieken. 

De “onrendabele” top is het verschil tussen het basisbedrag, dit is de kostprijs van de techniek die de CO2 reduceert en het correctiebedrag, dit is de marktwaarde van het product dat de techniek oplevert. Het basisbedrag is een vaste waarde voor de looptijd van het project terwijl het correctiebedrag varieert met marktprijzen.

De SDE++ wordt stapsgewijs opengesteld. De duurdere projecten (projecten waarbij meer subsidie per ton gereduceerd CO2 nodig is om het project rendabel te maken), worden later opengesteld. Omdat de subsidie gelimiteerd is op in eerste instantie 5 miljard €, wordt hiermee een marktwerking gecreëerd, de markt krijgt een stimulans om de projecten zo efficient mogelijk te maken, waarbij efficiency kan worden omschreven als zo laag mogelijke subsidie-aanvraag per ton CO2 reductie.Marktpartijen worden geprikkeld om zo laag mogelijk in te dienen, en een deel van het risico zelf te dragen.Zeer belangrijk: de rangschikking vindt plaats op basis van de verwachte subsidiebehoefte en niet op de berekende maximale subsidiebehoefte.

Dit houdt dus in dat een projectleiding kan besluiten om een subsidie-aanvraag te doen basis een subsidie-bedrag per ton CO2 dat lager ligt dan de berekende waarde.

Het maximale subsidiebedrag is vastgesteld op 300€ per ton CO2. Het is toegestaan om projecten in te dienen boven de 300 €/ton maar er is in dat geval geen garantie dat de gehele onrendabele top wordt vergoed.Technieken met een hogere kostprijs dan 300 €/ton worden via een ander instrumentarium, lees innovatie-subsidies en demonstratiesubsidies ondersteund, zodat de kostprijs daalt. Er zijn drie uitzonderingen voor het budgetplafond van €300/ton, voor hernieuwbare elektriciteit uit zon en wind, voor CCS en voor de kasuitgaven voor CO₂-reducerende technieken in de industrie (anders dan hernieuwbare energie). Deze uitzonderingen (afzonderlijke deelplafonds) staan omschreven in de kamerbrief van 26 april 2019.

Naast het bovenstaande, zijn CO2-emissiefactoren en het ETS handelssysteem hier nog de moeite van het vermelden waard. Zoals bekend wordt de rangschikking in de SDE++ regeling verkregen door vergelijking van projecten op basis van subsidiekosten per ton vermeden CO2 uitstoot. Echter als een techniek gebruik maakt van electriciteit om de CO2 reductie te verkrijgen, wordt rekening gehouden met de emissies in de electriciteitssector. Voor wat betreft het emissiehandelssysteem (ETS), een handelssysteem waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen kosteneffectief wil verminderen, geldt dat het nadeel voor niet-ETS deelnemers waarschijnlijk wordt wordt gecompenseerd. ETS deelnemers hebben namelijk het voordeel dat zij door de CO2 reducerende technieken minder ETS rechten hoeven te kopen tov niet-ETS deelnemers. 

Fasegrens -70 €/ton Co2: 29 september 2020, 0900 uur
Fasegrens -85 €/ton Co2: 5 oktober 2020, 1700 uur
Fasegrens 180€/ton Co2: 12 oktober 2020, 1700 uur
Fasegrens 300€/ton Co2: 19 oktober 2020, 1700 uur

Zoals beschreven worden de verschillende tranches van de subsidie-regeling gefaseerd opengesteld, met als doelstelling om de marktwerking te bevorderen en het uiteindelijke doel, een zo groot mogelijke Co2-reductie voor de beschikbare subsidie, te realiseren.

Vervolgproces openstelling SDE++ regeling

Uiterlijk in februari 2020 wordt het wijzigingsbesluit SDE++ aan de Raad van State aangeboden zodat het in april kan worden gepubliceerd. Naast het besluit worden ook de uitvoeringsregeling en de aanwijzingsregeling aangepast. Het kabinet streeft ernaar om uiterlijk in het voorjaar van 2020 duidelijkheid te scheppen over de exacte SDE++ regeling. Uiteindelijk moet de EU de regeling goedkeuren. RVO zal een aantal voorlichtingsbijeenkomsten organiseren op het gebied van de SDE++ regeling.

 

 

 

  • De SDE++ regeling staat open voor hernieuwbare electriciteitsproductie uit zon, wind en water. Het Klimaatakkoord stelt een plafond van 35 Twh aan de subsidiabele productie van hernieuwbare elektriciteit uit zon en wind.
  • De waarde van “Garanties van Oorsprong”, GVO is toegenomen en overschrijdt de drempelwaarde van €3/Mwh. Minister Wiebes zal het subsidiebedrag corrigeren voor GVO met een bedrag tussen de 3 en 7€/Mwh
  • Verduurzaming van het Rijksvastgoed wordt versneld
  • De categorieën voor Zon PV projecten kleiner dan 1 MWp en gebouwgebonden projecten >1 MWp blijven ongewijzigd maar voor grondgebonden projecten >1 MWp wordt onderscheid gemaakt tussen 1. Systemen op land, 2. systemen op water, 3. zonvolgende systemen op water en 4. zonvolgende systemen op land. Dit voornamelijk omdat de kosten van zon-op-water hoger blijken te zijn dan de kosten van zon-op-veld. Het maximum basisbedrag voor zon-op-water wordt beperkt zodat er geen premie wordt betaald voor deze categorie
  • Zon-PV op overkappingen, zoals carports, kunnen worden ingediend binnen de categorie gebouwgebonden systemen > 1 MWp in plaats van indiening in de categorie niet-gebouwgebonden systemen. Dit vergroot de concurrentiekracht van dit soort projecten
  • Er wordt ingezet op het zo veel mogelijk benutten van niet-gebruikte terreinen en zon-PV daken ipv zon-PV projecten in landbouwgebieden en/of natuurgebieden. Er is een voorkeursvolgorde overeengekomen met het IPO, VNG en maatschappelijke organisaties.
  • Omdat voor grootschalige zon-PV projecten een vergunning nodig is, is het beleid voor ruimtelijke ordening sturend bij zon-PV-projecten
  • Omdat Zon-op-Dak meer eigen verbruik heeft is het de verwachting dat Zon-op-dak projecten de voorkeur gaan genieten
  • SDE++ staat open voor wind op land, wind op primaire waterkeringen en wind in meer
  • Er wordt een aparte categorie toegevoegd voor windsnelheden boven de 8,5 m/s, de data uit de KNMI databank is leidend
  • Hernieuwbare elektriciteitsprojecten die waterkracht gebruiken (inclusief renovatie van bestaande waterkrachtcentrales) of osmose zijn toegestaan maar deze technieken komen, met uitzondering van renovatie bestaande waterkrachtcentrales, nog boven de maximale subsidie-intensiteit uit

Zoals in dit artikel al eerder vermeld, wordt de SDE++ regeling aanzienlijk verbreed ten opzichte van de SDE+ regeling.Hieronder worden een aantal nieuwe technieken binnen de SDE++ toegelicht en opgesomd:

  • De SDE++ richt zich op elektrische boilers die worden ingezet bij het opvangen van de pieken in duurzame energie-productie, waarbij wordt uitgegaan van 2000 vollasturen
  • Restwarmte is een overschot aan warmte dat niet niet nuttig wordt gebruikt. SDE++ richt zich op technieken waarbij restwarmte nuttig wordt gebruikt zoals bij het verwarmen van kassen of andere externe bedrijfsmatige processen
  • De SDE++ wordt enkel opengesteld voor restwarmteprojecten waarbij sprake is van een onrendabele top. 
  • Waterstof door elektrolyse. Het kabinet werkt aan een strategische visie op de inzet van duurzame waterstof. De huidige subsidie-intensiteit van waterstof is volgens het PBL €1064/ton Co2, ondanks deze hoge top wordt de regeling toch opengesteld voor deze technieken en wordt het bedrag boven €300/ton mogelijk afgedekt op landelijk of EU niveau
  • CCS, dit zijn verschillende technieken op het gebied van opslag en afvang van Co2. De SDE++ wordt voor deze technieken opgesteld
  • CCS wordt enkel gesubsidieerd bij gebrek aan andere kosteneffectieve schone technieken

Het energieverbruik in Nederland wordt voor het grootste gedeelte bepaald door de vraag naar warmte. Er zijn allerlei technieken om de warmtevoorziening te verduurzamen. Het aantal warmte-categorieën wordt in SDE++ aanzienlijk uitgebreid. Hieronder volgen de voornaamste aanpassingen.

  • geothermische technieken. Tot op heden zijn alle geothermieprojectengerealiseerd in diepe ondergrond. Zowel voor diepe als ondiepe geothermie wordt een aantal nieuwe categorieën opengesteld met een lager aantal vollasturen.
  •  aquatermie technieken, deze technieken hebben veel potentieel in de bebouwde omgeving. Er worden twee nieuwe categorieën opengesteld, namelijk thermische energie uit oppervlaktewater TEO en thermische energie uit afvalwater (TEA). De geleverde warmte uit deze technieken moet binnen SDE++ worden geleverd aan de gebouwde omgeving
  • thermische conversie van biomassa, deze regeling zal enkel gelden als via een conformiteitsverklaring aan de duurzaamheid van biomassa is voldaan. Er wordt een nieuwe categorie opengesteld voor de duurzame restwarmte bij de championteelt, waarbij de vrijkomende biomassa in dit proces wordt verduurzaamd
  • zonthermie systemen zijn technologieën waarbij water wordt verwarmd met behulp van zonlicht, zoals PVT systemen, deze systemen produceren zowel electriciteit als warmte. SDE++ biedt enkel nog de mogelijkheid om PVT subsidie aan te vragen in de categorie zon-PV

Hernieuwbaar gas is gas dat door vergisting van biomassa wordt geproduceerd. De SDE++ wordt opengesteld voor nieuwe installaties in de categorieën voor productie van warmte, groen gas en WKK.

  • Voor de resterende onrendabele top voor projecten uit de periode 2008-2010 wordt een verlengde levensduur beschikking voorbereid
  • een categorie biomassavergassing voor hernieuwbare gasproductie wordt opgenomen

nieuwsbrief

Solar United publiceert elke week een nieuwsbrief met het laatste nieuws over subsidies en ontwikkeling op het gebied van CO2 reductie, hernieuwbare energie en de circulaire economie.
Vul uw email in, u ontvangt geen spam en u kunt altijd afmelden. 

Deel dit bericht
Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin
duurzaam businessplan evaluatie | sustainable business plan

Hoe beoordeelt een professionele investeerder een duurzaam businessplan?

In dit artikel wordt het businessplan bekeken vanuit het oogpunt van de professionele investeerder. Een investeerder  kijkt voornamelijk naar risico en opbrengsten. Lees in dit artikel met welke vragen u rekening moet houden, zodat de kans op financiering van uw duurzame project of onderneming wordt verhoogd. Kunt u de onderstaande vragen beantwoorden op basis van objectieve informatie? Dan bent u op de goede weg.

Opbrengsten tov risico

Elke professionele investeerder beoordeelt een business plan op de waarschijnlijkheid van de hoogte en timing van de geprojecteerde cashflows. Met andere woorden, de voornaamste vragen zijn of de financiële prognoses realistisch zijn onderbouwd en of het team sterk genoeg is om goed te executeren. Een belangrijke vraag is of de risico’s goed in kaart zijn gebracht want investeren draait altijd om de afweging van opbrengsten ten opzichte van risico.

Belangrijke vragen over uw product of dienst

  • Welk probleem wordt door uw product of dienst opgelost?
  • Als uw klant het product of dienst koopt, hoe snel verdient deze aankoop zich terug? Hier geldt als vuistregel dat een terugverdientijd (payback period) van minder dan 1 jaar enorm interessant is voor de klant en investeerder, 2-3 jaar is mogelijk acceptabel en > 3 jaar betekent dat de investeerder mogelijk zal gaan twijfelen over uw product. Terugverdientijden van minder dan 1 jaar, bijvoorbeeld bij efficiency software zijn zeer interessant als investering voor zowel klant als investeerder  (ook hier geldt: objectief aantoonbaar?)
  • In welke mate is uw product uniek? 
  • Welke voordelen heeft uw product ten opzichte van de concurrentie?
  • Hoe gemakkelijk is het voor de concurrentie om de unieke eigenschappen van uw product te kopiëren?
  • Hoe snel kan de concurrentie met een vergelijkbaar product of dienst op de markt komen?
  • Hoe weet u dat uw product of dienst verkoopbaar is? Heeft u marktonderzoek gedaan? Resultaat?
  • Heeft u verkoopcijfers en/of gedocumenteerde positieve feedback van klanten?

Vragen over de markt

  • In welke markt gaat u opereren?
  • Wat is de marktgrootte en de geprojecteerde groei van de markt?
  • Welk marktaandeel is haalbaar? Waar baseert u dit op?
  • Wat zijn gebruikelijke bruto marges in deze markt?
  • Hoe ontwikkelen deze bruto marges zich de laatste jaren?
  • Is uw bedrijf opschaalbaar, bijvoorbeeld naar soortgelijke markten?

Praktijkvoorbeeld: onverwachte ontwikkeling bruto marges en concurrentie.

In 2013 werkte de auteur aan een duurzaam businessplan voor een installatie-business van zonnepanelen. Na een gedegen analyse bleek dat de bruto-marge niet zou stijgen maar zelfs zou gaan dalen, ondanks de voorspelde explosieve groei van de markt. Deze daling van de bruto marge werd veroorzaakt door de lage barrière van toetreding, elke installateur in HVAC, vaak ZZP’er, kon zonnepanelen installatie zonder veel investeringen toevoegen aan zijn dienstenpakket. Daarnaast zagen de traditionele energie-producenten zoals Essent en EON hernieuwbare energie als een interessante markt en waren bereid de commerciële marge te subsidiëren, een mooi woord voor het kopen van marktaandeel. Dit is ook exact wat er gebeurde, de marges voor het installeren van zonnepanelen daalden snel en in de komende jaren gingen vele nieuwe bedrijven failliet. 

Vragen over uw financiële model en geprojecteerde opbrengst

  • Wat is de geprojecteerde opbrengst (ROI)? 30-60% jaarlijkse return gecorrigeerd voor inflatie, is een normale eis van een professionele investeerder. Dit klinkt hoog, maar is wel de realiteit want in dit artikel behandelen we investeringen zonder onderpand, waarbij de investeerder een minderheidsbelang neemt in uw onderneming.
  • Hoe ziet uw financiële model eruit, inclusief scenario-analyse? Een investeerder zal het waarderen als een financieel model verschillende scenario’s (worst case, base case, optimistisch scenario) behandelt, zodat het risico van afwijkende cashflows kan worden beoordeeld. Het toevoegen van een worst case scenario is belangrijk omdat u aantoont dat u heeft nagedacht over tegenvallende scenarios. Veel professionele investeerders zullen financiële projecties standaard met 50% afwaarderen (discount factor) omdat de ervaring leert dat bijna alle businessplannen te optimistisch zijn opgesteld.  
  • Sluiten uw voornaamste financiële ratios en projecties aan bij de informatie uit de markt? Een voorbeeld: als uw bruto marges 40% zijn en het is algemeen bekend dat bruto marges in uw bedrijfstak rond de 10% bedragen, dan kunt u de nodige vragen verwachten van een professionele investeerder.   
  • Kunt u de voornaamste getallen in uw financiële model onderbouwen?                            

Het management team

  • Wat zijn de vaardigheden en track record van het team?
  • Zijn de vaardigheden van het team afgestemd op de business?
  • Wat is de waarschijnlijkheid dat het team het businessplan kan executeren? 
  • Hoe zorgt u voor de stabiliteit van het management team?

Vragen over controle

  • In hoeverre heeft de investeerder controle over beslissingen in het project of in de onderneming? Heeft de investeerder bijvoorbeeld een directie-zetel of zijn er andere belangrijke statutaire bepalingen?         
  • In welke mate is de investering liquide? De liquiditeit van de investering heeft te maken met de snelheid waarmee de investering weer verkocht kan worden tegen marktniveau. Een groot risico is dat de  investeerder in een minder liquide onderneming of een illiquide project investeert, zonder een duidelijk omschreven controle-mechanisme en zonder een duidelijk vastgelegd exit-mechanisme. 
  • Is de exit van de investeerder zwart-op-wit vastgelegd qua timing en methode? Hoe kan hij/zij cashen?

Vragen over risico

  • Wat zijn de voornaamste risico’s mbt de nieuwe onderneming of het duurzame project?
  • In welke mate is het succes van de duurzame onderneming afhankelijk van factoren buiten de invloedssfeer van de ondernemer, onderneming of projectontwikkelaar? De wetgeving speelt hier een grote rol. Hier valt te denken aan een overheid welke onvoorzien essentiële wetgeving verandert, onvoorzien nieuwe belastingen instelt of nieuwe wetgeving introduceert met aanvullende eisen. Een andere factor is de mate van concurrentie. Zijn de barriëres tot toetreding tot de markt groot? Zijn er mogelijkheden om de markt te beschermen tegen concurrenten, bijvoorbeeld door patenten? Heeft de onderneming andere blijvende concurrentie-voordelen (zoals first mover advantage)?
  • Is de waarde van de bezittingen correct vastgesteld? Is bijvoorbeeld de waarde van voorraden correct gewaardeerd? 
  • Is due diligence mogelijk?
  • En nogmaals: in hoeverre is mijn investering liquide en kan ik uitstappen indien gewenst? 

Vragen over de exit methode en uitkering opbrengsten

  • Zijn er jaarlijkse dividenten en zo ja, volgens welke methode worden deze vastgesteld in de AvA?
  •  Hoe is de exit methode schriftelijk vastgelegd? Voorbeeld: zonder medewerking van de meerderheidsaandeelhouder is een minderheidsbelang in een niet-beursgenoteerde onderneming per definitie illiquide, behalve als er duidelijke afspraken zijn gemaakt. 
  • Zijn er afspraken mbt jaarlijkse dividenten in relatie tot de vrij beschikbare cashflow?
  • Welk percentage van de jaarlijkse winst wordt geïnvesteerd in de onderneming?
  • Is een beursgang (IPO) onder bepaalde voorwaarden vooraf vastgelegd? Dit maakt uw belang liquide.
  • Wat is er vastgelegd over uitgifte aanvullende aandelen?
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
SDE++ regeling wiebes

SDE+ subsidie-limiet bereikt, al 6000 groene projecten in de wacht!

Enorme vraag naar duurzame projecten...

In een brandbrief aan de Tweede Kamer werd afgelopen woensdag door verschillende duurzame organisaties duidelijk gemaakt dat de SDE+ subsidie voor groene energie, zo spoedig mogelijk met 2,5 miljard € moet worden verruimd. Wat is er aan de hand?

 

Door de enorme run op duurzame subsidies voor zonnepanelen kunnen naar schatting 6000  (u leest het goed) duurzame zonnestroom projecten niet worden uitgevoerd omdat het SDE+ subsidie-plafond van 5 miljard € voor de najaarsronde 2019 al is bereikt. In totaal werden er in het najaar 7251 aanvragen voor (voornamelijk) zonnestroom projecten ingediend, waarvan dus het grootste deel (6000) nu in de wacht staat.

Het argument voor snelle toekenning van een aanvullende 2,5 miljard Euro SDE+ milieu-subsidies is dat als de 6000 projecten niet doorgaan er 500000 ton Co2 reductie in 2020 wordt misgelopen, en dat daardoor de doelstellingen van het klimaatakkoord mogelijk in gevaar komen. Als de projecten wél doorgang vinden dan kunnen de klimaatdoelstellingen van 14% hernieuwbare energie en 25% Co2 emissiereductie worden gehaald.

De 6000 aanvragen betreffen voornamelijk aanvragen voor zonne-energie op daken en leveren een energie-productie op van 2,5 Twh (Terawattuur) per jaar. Naar schatting wordt door het beperkte duurzame subsidie-budget al in 2020 1,5 Twh duurzame electriciteitsproductie niet gerealiseerd. 1,5 Twh staat gelijk aan 1500000000 kWh, dit staat gelijk aan stroom voor naar schatting 500000 gezinnen.

Deze brandbrief geeft in ieder geval wel aan dat aanvragen voor subsidie tijdig moeten worden ingediend. De vraag vanuit de maatschappij is enorm.